mm_spacer.gif
mm_spacer.gif
     
mm_spacer.gif
mm_spacer.gif

Home Page Image

Eerdere publicaties

Tattoo

De dode die met z'n tweeën was

De overvallers die met z'n drieën waren

Het trio dat iets te vieren had

Het viervijfdeprincipe

La Réserve en de vloek van het zesde gebod

Ondertussen in Lippensville

Crisis in Lippensville

Een paar gevallen van moord

Laatste halte: Lippensville

Witse - Een been om aan te kluiven




Crisis in Lippensville

Andermaal een onderzoek van Luk Borré, de niet altijd even sympathieke speurder

Hoofdstuk elf

Er zijn mensen die zeggen dat de stad Knokke zijn ware aard verbergt achter een masker, dat zijn eerbiedwaardige bewoners de schone schijn ophouden en dat het edele metaal waarmee de straten er geplaveid lijken in werkelijkheid klatergoud is, geplaatst op een mengsel van zand, zeemeerminschubben en vissersstront. Zulke mensen mijden de stad, omdat deze tempel van de kleine commerçant en het uiterlijk vertoon als een pitbull zijn tanden in hun portemonnee zet, om die vervolgens als een hongerige vampier leeg te zuigen. Ze doen schamper over de winkelstraten van de badstad, die gevuld zijn met mensen die zoveel geld en succes uitstralen. Die kom je natuurlijk in elke provinciestad tegen, maar niet in zulke hoeveelheden en niet in die mate dat ze zo zeer schitteren dat je zowat een zonnebril nodig hebt.


Poen op de bank, full option onder de kont, pingpingblingbling. Zijn die criticasters afgunstig?


Van je één, van je twéé, van je natúúrlijk! Knokke is een yuppiedroom, een yuppiehemel, en – na de val van de aandelen – een yuppiehel. Maar er zijn altijd mensen met centen, de ene roedel wordt verdrongen door de andere, oud geld door nieuw, franken en marken door euro’s, roebels en dollars,botersmokkelgeld door collaboratiegeld door smeergeld door druggeld door mensenhandelgeld door bloeddiamantengeld door enzovoort enzoverder. Grijs geld, zwart geld, inktzwart geld, geld met een bloederige rand, geld met een geurtje, geld dat ronduit stinkt. Ziet: iedereen haalt zijn neus op en snuift en zegt: ‘Lekker’.


Er zijn nog authentieke stukjes Knokke. En ze zijn niet allemaal verborgen. Bijvoorbeeld: Stefaan Athenus en Lechamps zitten achter het raam van de Falstaff, een bruin café dat geheel uit houten banken, sigarettenrook, een veranda en authenticiteit is opgetrokken.


Stemmen, gelach, gehoest van rokers, gerinkel van glazen.


Athenus heeft veel aandacht voor zijn mobiel en kijkt voortdurend of er nieuwe boodschappen binnenkomen. Voor hem op tafel staat een cola light met ijs. Lechamps houdt zijn handen rond een mok oliezwarte koffie gevouwen. Hij kijkt boos naar een blèrend kind in een buggy.


‘Gooi hem op de bon,’ lacht Stefaan, terwijl hij een verdwaalde lok haar achter zijn oor strijkt.
‘Geluidsoverlast. En als dat niet helpt: arresteren.’


De moeder zit met een sigaret in haar hoofd achter een glas witte wijn. Een zonnebankbruine dertigster met gebleekte tanden. De harde ogen van meer verleden dan toekomst. Ze kijkt alsmaar rond, alsof ze ieder moment een vriend of bekende denkt te kunnen begroeten – maakt niet uit wie, als hij of zij maar het volgende drankje betaalt. Haar truitje heeft het embleem van dkny. Stef gokt op outlet. Zoniet nep.


Uit de toiletten, die onderaan een smalle, steile trap als een hol in de grond verscholen zitten, komt een vrouw van vreemde origine. Als de mannen haar aankijken, wendt ze het gesluierde hoofd af.


‘Ik kan het niet helpen, Stef, maar ik moet dat soort niet.’
‘Racist?’
‘Ik doe mijn best,’ zegt Lechamps. Hij peutert in zijn neus,maar houdt daar meteen weer mee op. ‘Het lukt me alleen niet om mijn negatieve gevoelens te verdringen. Die keelklanken, bijvoorbeeld. Ik hoor ze en mijn maag draait zich om.’ Zijn stem klinkt vreemd, bijna weemoedig.
‘Een onweerstaanbare drang?’
‘Zoiets.’
‘Racisme als een ziekte,’ zegt Stefaan met een frons in het voorhoofd. ‘Een racist in het rijtje van de kleptomaan of de pyromaan… Xenofobie zoals hoogtevrees of arachnofobie…
Wat zou een psycholoog daarvan zeggen?’
‘Lach je mij nu uit?’
Verontwaardigd: ‘Zeker niet!’


Het duo blijft een hele tijd door het raam naar buiten kijken. Lechamps drinkt gulzig. De brigadier draagt een ziekenfondsbrilletje aan een ketting om zijn hals. Over zijn kin ligt de donkere schijn van zijn baard.

Op de Lippenslaan combineert een bijzonder goed geconserveerde dame van middelbare leeftijd haar bruine bontmantel met paarse, halfhoge laarsjes met stilettohak en paarse handschoenen.


‘Een raadseltje,’ zegt Stefaan Athenus, die zijn ogen aan de dame vastklit als een aanhangwagentje aan een trekhaak. ‘Wat is dé modekleur van deze winter?’.


Lechamps bromt dat de wereld gek geworden is en vouwt zijn handen opnieuw beschermend rond zijn kop koffie. De vrouw is beladen met pakjes die straks onder de kerstboom zullen belanden. Bij elke pas die ze zet, schuift haar jas open en exposeert ze een flink stuk been dat fraai in nylon is verpakt.


‘Voor hoeveel geld aan juwelen en kleren zouden er aan dat lijf hangen?’ vraagt Stefaan Athenus zich hardop af. ‘Haar handtas is van Vuitton: kost makkelijk ons maandloon. En dan al die pakjes! We zitten volop in een economische crisis, maar voor sommige mensen geldt dat blijkbaar niet.’
‘Ach, die crisis…’ zegt Lechamps, een wegwerpgebaar makend.
‘Vorig jaar heb ik aandelen van Fortis gekocht. Die stegen toen almaar. Vervolgens drukte men zomaar effecten bij, en de waarde viel spectaculair terug. In de week voor de definitieve crash overtuigde de Fortis-top heel wat rijke Knokse families om zwaar in hun aandelen te investeren: na de overname zou de prijs immers weer stijgen. Dat kwam ik via de tamtam van de straat aan de weet. Bijkopen leek mij de enige optie om mijn verlies goed te maken. Het probleem? Ik had geen geld.’ De hele tijd dat hij aan het woord is, blijft Stefaan Athenus door het raam staren. Je krijgt de indruk dat hij tegen zichzelf praat, in plaats van tegen collega Lechamps. ‘Toen ben ik naar een andere bank gestapt en heb daar geleend. Met als resultaat dat ik met geleend geld aandelen gekocht heb die achtenveertig uur later spectaculair crashten.’
‘Zit je in financiële problemen?’
‘Ik zit met een persoonlijke lening en een map waardeloos papier. Maar ik kom er wel weer bovenop. Heb jij nooit op de beurs gespeculeerd?’
‘In Artis zit een aap,’ zegt Lechamps. ‘In het begin van elk jaar krijgt dat dier van zijn verzorgers een tros bananen. Op elke banaan staat de naam van een bedrijf. De banaan die de aap het eerst van de tros plukt, wordt beschouwd als een aandeel dat hij koopt. De maand daarna is de eerste banaan die hij opeet een aandeel dat verkocht wordt. Zo stelt men een beleggingsportefeuille samen, die men vergelijkt met die van speculanten, banken, deskundigen en experts.’ Zijn stem klinkt schor en beeft, de brigadier zwijgt even om zijn keel te schrapen. ‘Ook dit jaar heeft de aap moeiteloos de wedstrijd gewonnen. Voor de tiende keer op rij!’
‘Had die dan geen aandelen van Fortis?’
‘Een aap is slimmer dan dat,’ zegt Lechamps.


Athenus grinnikt. Het is een droevige lach, maar het lucht hem op. Hij zwaait rond met zijn glas. Er zit enkel nog ijs in. Een sirene loeit. Aan het volume te horen, kan de wagen amper een paar straten ver zijn.


‘Genoeg over geld. Ik heb je vanavond meegevraagd omdat jij en ik het eens over je dochter moeten hebben.’
‘Over Truus?’
Lechamps speelt met zijn mok en staart in de heen en weer klotsende koffie. Hij voelt die plotselinge steek van trek in een borrel, maar de brigadier heeft zichzelf beloofd tot na de volgende middag met drinken te wachten. Athenus leunt voorover met zijn ellebogen op tafel.


‘Nee, Lechamps. Over Mieke, natuurlijk.’
Lechamps staart zijn jongere collega aan tot die zijn ogenneerslaat. Er zit een randje woede op zijn stem: ‘Ik weet niet of ik over haar met jou wel wíl praten, Stefaan.’


Hij blaast een wolk sigarettenrook tegen de ruit van de veranda, die beide politiemensen tegen het glas zien omkrullen en breken als een golf. Vervolgens kijken de brigadiers opnieuw naar hun drankjes. Een onwerkelijk lange, gedragen stilte waarin geen van beiden beweegt. De twee mannen verbeiden, hun ogen op hun glas gericht, versteend, gespannen als soldaten op wacht.
Een toerist komt binnen, vraagt een glas rode huiswijn. Hij snuift aan het glas, drinkt vervolgens een bodempje, smakt, laat de hoofdpijndrank van voren naar achteren over zijn tong rollen en weer terug. Op dat moment gaat een bieper af, en Lechamps staart beteuterd naar de display. De aderen op zijn neus lijken kleine blauwe takjes.


‘Van Steenestraat!’
Meteen daarna speelt het thema van Sex and the city, de opdringerigetune van Stefaans gsm. ‘Borré!
Lechamps houdt zijn adem in. Zijn hart klopt in zijn keel: ‘Wat is er met hem?’


 

< Recensies >

< Fragment >

< Bestel nu >