|
Hoofdstuk één
“Zijn er verdachten, Borré?”
“Zo’n twaalfhonderd, meneer.”
“Graaf burgemeester Leopold Lippens staat voortdurend in mijn nek te hijgen. Is er iets dat ik hem kan zeggen?”
“Ja. Dat hij één van die twaalfhonderd is.”
Brigadier Lechamps, die in het commissariaat aan de onthaaldesk zit, heeft een aangename, rustige en rustgevende stem, waardoor iedereen die eerder met hem contact had, en hem daarna voor het eerst ziet, schrikt van zijn boertige uiterlijk. Naast hem staat een thermos waaruit hij voortdurend koffie schenkt, die hij aanlengt met spul uit een fles die helemaal onderin zijn lade ligt. Het helpt om de dag door te komen.
De brigadier laat de telefoon drie keer rinkelen, voor hij opneemt.
“Een Marokkaan aan het verdrinken in het Zegemeer!”
“Het is daar verboden te zwemmen, Stef,” antwoordt Lechamps. “Dus als hij het redt, pak je hem op.”
“En als hij verzuipt, slinger ik hem voor sluikstorten de bon op.”
“Streng, maar rechtvaardig.”
“Zo is het precies. Heet van de naald: wist jij dat mevrouw Mangels een andere Mercedes heeft?”
“Nieuw? Of Nearly New?”
“Geen idee. Maar ze kruiste me net, en de wagen blinkt alsof hij na elke rit geboend wordt met mensenhaar en koperpoets.”
“Daar zal onze Theofiel zijn pruik voor gebruiken.”
“En voor de rest?”
“Alles puik onder de buik, collega.”
“Over and out.”
“Ja,” zegt Lechamps. “Over en uit.”
Op de desk ligt een brief van een tweedeverblijver. De man vraagt zich af of de helikopters en sportvliegtuigjes wel de lijn van het strand mogen volgen, en niet boven zee behoren te vliegen.
Moet er een ramp gebeuren, alvorens de autoriteiten ingrijpen?
Lechamps kantelt zijn stoel en gaapt. Zijn krant ligt naast de computer op de sportpagina’s opengeplooid. Weer rinkelt de telefoon, en de poten knallen tegen de vloer.
De helft van de sandwich waaraan hij die ochtend geknabbeld heeft, zit op zijn trui. Als je dichtbij genoeg komt, ruik je zijn ontbijt van pepermunt en alcohol.
Zelfs een eind buiten het centrum - waar vroeger het zwembad was - hebben graafmachines metersdiepe kuilen getrokken. De dijken en stoepen zijn door vrachtwagens stuk gereden en werfkranen knarsen in de wind.
Knokke is een reusachtige bouwplaats.
De vingers van kustbewoners ruiken niet meer naar vis, maar naar geld.
Op de dijk stuift het zand in sluiers over de promenade. Een anonieme politiewagen rijdt langzaam naar het commissariaat in de Van Steenestraat.
“Ik heb nooit anders geweten,” zegt de chauffeur. Hij ziet grauw van vermoeidheid.
De man naast hem, die met zijn bijna twee meter moeizaam in het autootje past, gaapt ongegeneerd. Hij draagt geen sokken.
“Wat heb je nooit anders geweten, Daniël?”
“Vanuit mijn wieg kon ik meer dan dertig jaar geleden al zien hoe de mokerhamer aan de andere kant van de straat het huis platgooide, terwijl de eigenaars amper begraven waren, en hun zoon pronkend voorbijreed met de wagen die hij met het geld van de erfenis had gekocht.”
“Dat heet vooruitgang.”
“En toen ik in de gemeenteschool zat, vluchtten mijn ouders met mij van wijk naar wijk, in als gezwellen groeiende woonblokken, steeds verder van het strand, en steeds meer in de schaduw van ongenadig oprukkende, haastig neergepote, torenhoge flats die enkel tijdens het weekend en de vakantie bewoond werden.”
“Ja, ja,” zegt de ander, terwijl hij door het raampje naar een boot kijkt die precies op de lijn van de einder lijkt te varen.
“Het kloppende hart van de stad werd een kille kern. De oorspronkelijke bewoners werden vervangen door… door… door…”
“Door aangespoelden. Je moet je niet generen. Ik weet dat ze zo genoemd worden: ik ben er zelf één.”
“Aangewaaiden.”
“Pardon?”
“Een aangespoelde is iemand die van de kust naar het binnenland verhuist. Een aangewaaide legde hetzelfde parcours af, maar in de omgekeerde richting.”
“Zegt wie?”
“Ik heb dat ergens gehoord.”
“Blijven luisteren,” bromt Borré. “Vroeg of laat pik je wat op waar je ooit wel iets aan hebt.”
Een paar seconden stilte.
“Sommige steden zijn van wie er komt wonen. Dit is een stad die tijdelijk toestaat dat ze bewoond wordt, op het moment dat de bewoner haar bevalt, en zich zijn verblijf kan veroorloven. De stad zélf is een parvenu, net als wie hier terechtkomt.”
Zijn partner fronst de wenkbrauwen: “De laatste keer dat ik in de spiegel keek, zag ik er nochtans niet uit als je psychiater.”
“Een Knokke te zien dat openstaat voor iedereen met genoeg geld om haar te kopen: soms doet het pijn.”
“Toch willen jullie hier allemaal blijven wonen. Trouwens, wat is het alternatief? Bokrijk-aan-Zee?”
“De projectontwikkelaars stelen onze geschiedenis. Dat onophoudelijk ziekelijk gedweep met de nieuwste dingen die in de winkels liggen. De geborgenheid die gezocht wordt in het vergaren van wereldse zaken. We zijn blind voor het geluk van de eenvoud, en zijn de slaven geworden van vals fortuin en weelde. Alles wat met geld te koop is, is waar. En begeerlijk. En belangrijk. Steeds meer appartementsgebouwen, altijd maar hoger: alsof Knokke haar intrede in het gezelschap van wereldsteden wil maken. En enkel de goedkoopste woningen komen op de huizenmarkt. De rest is zo buitensporig duur, dat er al een wachtlijst voor bestaat, waarbij ze vaak gereserveerd worden voor mensen die amper een paar weken per jaar in hun exclusieve flat verblijven.”
“Amen.”
De wagen rijdt nu langs de Boslaan naar de Jan Devisch- en de Smedenstraat. Rechts ligt een laag, smal, bepleisterd boerderijtje, dat tot het sfeervolle maar benauwende restaurant Hippocampus werd omgetoverd. Met de zeelucht in je longen, kijkt er aan de achterkant een koeiensmoel door het raampje in je bord.
“Hier ben ik met Irma vorige maand komen eten,” zegt Daniël Pisters. “Nogmaals bedankt dat Bert-Bertie toen bij jullie mocht logeren.”
Zijn collega prutst een los vel van zijn elleboog.
“Rena is meter van de jongen,” zegt hij.
“Heeft ze het nog altijd moeilijk met euh…?”
“We praten er niet meer over. Ze wordt veertig. Op die leeftijd zakt het dierlijke moederinstinct stilaan weg.”
“Dat denk jij!”
“Ja,” zegt Borré. “Dat denk ik. Als je geen kinderen kunt krijgen, moet je je daar trouwens bij neerleggen. De natuur is de natuur is de natuur.”
“Als je op dat fatalistisch spoor doorredeneert, moeten we de dokters en de tandartsen maar afschaffen.”
“Kunnen we over iets anders praten, dan over de biologische klok van vrouwen?”
“Je kunt een kind ook adopteren.”
“Ik word niet goed als ik er nog maar aan denk.”
Gepikeerd: “Wij hebben het gedaan.”
“Voor een weddenschap ben ik ooit over de omheining gekropen rond de leeuwenkuil in de zoo. Dat is ook goed afgelopen. Maar dat wil niet zeggen dat ik een ander aanraad om hetzelfde te doen. Eer je het weet, zit een leeuw op je dijbeen te kauwen.”
“Mooie vergelijking,” zegt Pisters. De knokkels op zijn handen zien wit van de kracht waarmee hij zich aan het stuur vastklampt.
“Ander onderwerp?”
“Absoluut ander onderwerp.”
Pisters wil best wat korter komen bij een vrouw met een spannend kort rokje boven lange benen. Hij remt de politiewagen bruusk af, en maakt met een breed gebaar duidelijk dat de dame de straat mag oversteken. Ze draagt een lelijk kaal hondje in een my pretty dog merkhandtas. Het beestje rilt.
“Die chichimadam is voor mij, Borré.”
Die zou met zijn hand eigenlijk ook wel eens over dat paar strakke billen willen glijden. Zijn hoofd ligt tegen het raampje. De ruit voelt als een koele kus.
Ze volgen de vrouw met hun ogen, tot er achter hen wordt getoeterd.
“Het zou best een van die voetbalvrouwen kunnen zijn,” zegt Pisters, die zich exact aan de maximum snelheid houdt.
“Dan is ze Waalse.”
Nu rijdt hij vijftig. De rij wagens wordt steeds langer.
“Niet noodzakelijk. De helft van die spelers is buitenlander. Het Oostblok, Zuid-Amerika, Afrika… Het voetbal wordt geregeerd door makelaars, en Standard Luik is daarop geen uitzondering.”
“Ik blijf het vreemd vinden,” zegt Borré, “dat een topploeg uit eerste nationale de competitie voorbereidt in Knokke.”
“Wat is daar vreemd aan? Wij hebben tenminste de accommodatie. Niet overal zijn hotels genoeg om een groep van die omvang in stijl op te vangen. RSC Anderlecht komt hier al jaren.”
“Was Kenneth Bryle in het verleden niet hun oefenmeester, en Henk Houwaert dit jaar?”
“Van Anderlecht?”
“Nee! Van ons elftal.”
“Champaign’ Henkie! Waar is die nog geen trainer geweest? In ieder geval: dit jaar is hij de juiste bijnaam op de juiste plaats. En hij heeft natuurlijk relaties in het wereldje.”
“Toch: Royal Knokke Footbal Club tegen een team profspelers. In hoeveelste provinciale voetballen onze jongens ook weer?”
“Geld, Luk. Dáár draait het om. Het is goed voor de commercie. Voetbal is big business – Knokke is big business.”
“Je zingt de hele dag hetzelfde liedje.”
“Omdat het de waarheid is: er wordt voor een aangenaam verblijf van de spelers én hun partners gezorgd. Dus: terwijl de heren op het veld de techniek bijschaven, dweilen hun dames door de winkelstraten.”
“De bal rolt. En het geld rolt,” zegt Borré. De speurder gaapt, zonder een hand voor zijn mond te houden.
Een Maserati komt hen brullend voorbijgejakkerd, aan een veel te hoge snelheid, en over een ononderbroken witte lijn.
“CCH en drie cijfers.”
Borré waaiert roos van zijn schouders. Hij maakt geen aanstalten om de nummerplaat te noteren.
“Last bezorgen ze ons anders niet. Niet de ploeg, en niet het handvol supporters dat in hun kielzog volgt.”
“Die hebben hun tenten in Blankenberge opgeslagen.”
“Knokke zal te duur zijn.”
“Wij hebben toch ook een Aldi?”
“Ken jij iemand die er ooit binnen is geweest?”
Nu snijdt een Jaguar de politiewagen de pas af.
“Jij rijdt als mijn tante nonneke.”
“Pardon, je mag hier niet harder.”
“Die voetbalploeg…”
“Royal Standard de Liège.”
“Of zoiets… Ik heb in de sportkatern van mijn krant gelezen dat ze de top van eerste klasse ambiëren.”
“Het was vorig seizoen minstens twintig jaar geleden dat ze nog eens kampioen speelden. Dit jaar gaan ze er opnieuw voor.”
“En?”
“En wat?”
“Maken ze een kans?”
“Ze doen er in elk geval meer dan alles voor. Ze hebben zelfs hun eigen politiemensen mee: Norbert en Baptiste.”
“Nu zijn we met zeven om Knokke te bewaken.”
“Zeven is een galgvol,” zegt Pisters.
“Zeven is wat?”
“Een galgvol. Ken je dat gezegde niet?”
De radio kraakt. Borré slaat met zijn vuist op het dashboard om beter contact te maken.
“Zeg het eens, Lechamps?”
“In het AZ hospitaal is een vrouw binnengebracht.”
“Toch niet…?”
“De gebruikelijke symptomen.”
De zin hangt heel even zwaar in de stilte van de politiewagen.
“Het Onze-Lieve-Vrouw Ter Linden hospitaal?” vraagt Pisters dan, terwijl Borré in het handschoenkastje morrelt, en de zuigmap met het zwaailicht door het raampje op het dak kwakt.
“Nee.”
“Hoezo, nee!? Lechamps?”
“Hoeveel hospitalen zijn er in Knokke, Daniël?”
Borré laat het zwaailicht op het dak staan, en Pisters parkeert op de ambulancierplaats voor de glazen deuren van het Ter Linden hospitaal aan de Graaf Jansdijk.
Vanuit de zonneschijn komen ze in het kunstlicht. Wit, hard, steriel neon. De karakteristieke geur van ziekenhuizen doet Borré kokhalzen.
In de hall staat de politiearts op hen te wachten.
Ilsa De Riddere: zwarte jeans, zwart hemd, zwarte boots, zwart kortgeschoren haar. Als je je, gewapend met een machete, in een onbekend continent een weg door het oerwoud zou moeten banen, terwijl je elk ogenblik op een wild beest of een vijandige, mensenvlees etende stam kunt botsen, ben je blij dat zij in jouw team zit. Dit is Knokke, het strand droomt van rust, aan de einder komen de laatste schaarsgeklede zonnekloppers aangerukt. Je kan met je machete natuurlijk in de plastic palmbomen houwen, die bij de duurdere stranduitbaters voor nepsfeer moeten zorgen, terwijl bij t’bo nep-house door de luidsprekers schalt, om spenders naar zijn bar te lokken.
“Het gebruikelijke procédé,” zegt de politiearts. “Eerst verdoofd, dan verkracht met een condoom om.”
“Geen DNA?”
“Latexresten van het condoom, en sporen van Ketamine. Anders niets.”
“Kunnen we met het slachtoffer praten?” vraagt Pisters.
“Katharina Brnjovovich,” leest Ilsa De Riddere moeizaam van een kaartje. “Kamer 306. Veel succes. Ze spreekt twee woorden Nederlands, maar vloeiend een of ander Slavisch dialect.”
“Kun jij niet tolken?”
De politiearts rolt met haar ogen: “Plaats delict.” Ze probeert geen drank op haar kleren te morsen, terwijl ze aan een wit plastic bekertje nipt.
“Hoe is de koffie?”
“Slecht, maar zwart en heet!”
Borré trommelt op verschillende liftknoppen alsof hij piano speelt.
“Vier verkrachtingen,” zegt Daniël Pisters. “Binnen de week.”
“Onze jongen heeft een gezonde appetijt,” zegt Borré.
Nu bieden zich twee liften tegelijk aan.
“Wie zegt dat hij alleen is? En vind je het ook geen vreemd toeval, dat dit gebeurt in dezelfde week dat de Luikse profs hier verblijven?”
“Die hebben hun partners meegebracht!”
“Alsof het de eerste verkrachter zou zijn, die vrouw en kinderen heeft. Trouwens, wie zegt dat de ploeg geen vrijgezellen telt?”
“Sportlui hebben in elke stad een liefje. Voetballers vreten look bij het ontbijt in de hoop hun lul een vrije dag te bezorgen.”
“Verkrachting heeft meer met macht te maken, dan met seks,” zegt Pisters.
“We laten Lechamps onderzoeken of iemand van de Luikse voetballers ooit aangeklaagd werd wegens één of andere seksuele agressie. Tevreden?”
“Bij zijn vorige club, of in zijn land van herkomst.”
In de lift staart Borré naar het plafond.
Katharina Brnjovovich ligt als een zielig hoopje mens in het ziekenhuisbed. Een waas van treurigheid trekt over haar ogen. Haar lange, kastanjebruin haar wordt met een zwarte diadeem naar achteren gebonden. Ze draagt een sponzen pyjama die tot haar kin sluit. Eskimo’s zouden er in de Poolwinter geld voor geven. Vandaag is het eind augustus, en de weerman voorspelt twintig graden – ’s nachts, en minimum.
In een hoek van de kamer zit Stefaan Athenus in de bezoekerszetel. De grote, vierendertigjarige brigadier draagt zijn uniform. Hij ziet eruit alsof hij ter plekke in slaap kan vallen.
“Luk. Daniël.”
“Steffie.”
“Stefaan. Wie heeft haar gevonden?”
Athenus duikt in zijn notitieboekje.
“Haar vriendin. Natasja Krni… Natasja Krnjo…”
“Zeg maar Natasja,” zegt Borré. Zijn ogen vernauwen zich een heel klein beetje.
“Katharina en Natasja zijn beiden Litouws. Ze werken als schoonmaakster in Hotel Des Nations op de zeedijk. Veertien uur per dag, zes dagen per week, vier maanden per jaar, vijf euro per uur.”
“Dat mag toch niet?”
“Wel als je het statuut van de nieuwe neger hebt.”
“De nieuwe neger?”
“Kleine zelfstandige.”
“Leve de Europese eenmaking,” zegt Borré.
“De dames huren een kelderkamer in de Duinbergenlaan. Gisteren en vandaag hadden ze een dag vrij, en dat hebben ze gevierd.”
“Samen?”
De agenten zetten een stap achteruit, omdat de vrouw in het ziekenhuisbed hun gesprek niet zou kunnen volgen.
“Dat soort meisjes wil maar één ding,” fluistert Stefaan Athenus.
“Nee, toch?”
“Door hier een man aan de haak te slaan, hopen ze hun miserie ginder te ontvluchten.”
“Dus: ze vertrokken wel samen, maar daarna gingen ze ieder hun weg.”
“Om elkaar geen concurrentie aan te doen. De goede mannen zijn schaars.”
“Wat ben jij een klootzak,” zegt Daniël Pisters.
Stefaan Athenus: “Dat zou best kunnen.”
Luk Borré, zuchtend: “Natasja en Katharina hadden een dag vrij, en besloten op jacht te gaan. En dan?”
De Knokse speurder maakt een rollend gebaar met zijn handen.
“Ze hebben eerst een glas gedronken in de Apéro,” zegt Stefaan Athenus.
“Dat is een homobar,” zegt Borré verbaasd.
“Niet exclusief. Daar komen ook borsten.”
“Ze bestelden dus iets bij Michel,” recapituleert Pisters. “En dan?”
“Ze wensten elkaar succes, en Natasja begon als eerste aan haar veroveringstocht. Toen ze tegen de ochtend weer naar haar kamer in de Duinbergenlaan ging, trof ze daar haar vriendin. Die was half groggy. Eerst dacht Natasja dat Katharina gewoon dronken was.”
“Zijzelf?”
“Behoorlijk teut,” grijnst Stefaan Athenus. De brigadier etaleert daarbij een imposant, hagelwit gebit.
“Is de kamer onderzocht?”
“Katarina had haar bed ondergekotst. En toen Natasja begreep wat er gebeurd was, deed ze spontaan hetzelfde.”
“Ilsa?”
“Onze politiearts heeft in Brugge versterking gevraagd om de plaats delict uit te kammen.”
“Goed gezien. Anders kon ze zelf met een lepeltje naar de sporen zoeken.”
Pisters vraagt: “Waren die meisjes voetbalfans?”
Athenus antwoordt verbaasd: “Ik zou het niet weten.”
Borré zucht, en Pisters vindt de vloeren plots bijzonder interessant.
Het deuntje van een gsm klinkt.
“Neem je niet op?”
“Nee,” zegt Stefaan Athenus.
“Het is misschien wel één van je vriendinnen.”
“Welke vriendinnen?”
“Die van het soort dat kickt op mannen met handboeien.”
Een verpleger komt binnen, stapt naar het bed en neemt de pols van de patiënte om haar hartslag te meten.
“Dokter,” vraagt Borré, “kunnen we haar verhoren?”
De verpleger haalt zijn schouders op.
“Als ze naar de vragen wil luisteren. Als ze zich genoeg kan concentreren om antwoord te geven. Als jullie haar taaltje verstaan. Waarom denk je trouwens dat zij wél wat te vertellen zou hebben, dat het onderzoek vooruit kan helpen?”
Dichtgeknepen ogen: “Welk onderzoek, dokter?”
“Vier verkrachtingen binnen de week. Denken jullie echt dat zoiets geheim kan blijven, generaal?”
“Het is slecht voor het imago van Knokke,” zegt Pisters.
“Slechte publiciteit,” beaamt Stefaan.
“Ook slecht voor de slachtoffers,” zegt de verpleger, met een frons in zijn neus.
Borré buigt voorover naar het kaartje dat op de borst van de verpleger zit gespeld.
“Hildebrandt, hé?”
“Met dt. Mijn ouders waren getuigen van Jehova.”
“Ik wist niet dat die hun eigen spelling hadden,” zegt Stefaan Athenus.
“Kaarten op tafel,” zegt Borré. “Elk van de vrouwen werd eerst verdoofd met Ketamine, en nadien verkracht met een condoom. Geen van hen herinnert zich iets bruikbaars. Amper sporen op het plaats delict, vooral omdat de aangiftes pas vierentwintig uur na de feiten werden gedaan, als het slachtoffer bij haar positieven kwam.”
“En omdat er aan de eerste twee amper aandacht werd besteed,” zegt Daniël Pisters.
“Meisjes tussen de achttien en de achtentwintig, die een avondje alleen op stap gaan, en nadien verklaren dat ze misbruikt werden,” zegt Stefaan Athenus. “Het is vaak een smoes om de woede van hun ouders te sussen, of een rookgordijn om de aandacht van hun vriendje af te wentelen van hun overspel.”
“Je moet mij de vrouwen niet leren kennen,” zegt de verpleger. Hij heeft sluik haar, dat tegen zijn schedel kleeft.
“Door een toeval werd Katharina zo goed als onmiddellijk na de feiten gevonden,” zegt Luk Borré. “Blijkbaar heeft de verdoving bij haar niet zo goed gewerkt, of haar overvaller heeft een fout gemaakt. Wat denk jij, Hildebrandt?”
“De overvaller is een leek,” zegt de verpleger.
“Pardon?”
“Hij heeft zijn kennis waarschijnlijk op Internet gevonden, of van horen zeggen. Ketamine geeft een dissociatieve analgesie: de patiënt lijkt wakker, maar reageert niet op pijnprikkels. Hij of zij heeft geen contact of voeling met zijn omgeving. De laatste jaren duikt het product steeds vaker op in de uitgaanswereld, waar het als drug gebruikt wordt. De hoeveelheid verdovingsmiddel heeft te maken met het gewicht, en met de fysieke toestand van de patiënt. Blijkbaar wist onze vriend dat niet, of hield hij daar onvoldoende rekening mee.”
“Onze vriend, hé?”
“Bij wijze van spreken.”
“Natuurlijk.”
“Kijk naar haar,” zegt de verpleger, en hij plooit het laken open. “Katharina is groter dan gemiddeld, en ook nog eens stevig gebouwd. Daarbij komt dat ze regelmatig behoorlijke hoeveelheden drank verzet – ze komt uit het voormalige Oostblok: ik heb het hier niet over een paar biertjes. Haar lichaam is zijn portie gif gewend.”
“Drugs?”
“No – no – no!” wuift de patiënte. Haar ogen staan wijdopen van angst of van verbijstering of van allebei. “No drugs.”
“Vier keer nee,” zegt Pisters.
“Ja, ja,” zegt Borré.
“Terwijl hij hen verkracht, verbergt hij dan hun ogen?”
“Niet één van de slachtoffers heeft iets dergelijks gemeld,” zegt Borré.
“Dat betekent dat hij zich niet schuldig voelt,” zegt de verpleger.
“Hoe weet jij dat?”
“Zag ik in één of andere film.”
Lechamps klopt.
Mangels wacht tergend lang eer hij de brigadier laat binnenkomen. De korpscommandant heeft een leesbril zonder montuur die hij van zijn neus neemt, en aan een koordje op zijn borst hangt. Hij graait de folder van Mercedes die in het midden van zijn bureau pronkt, en legt die in een la.
“Ja?”
“De moordenaar met de rasp,” zegt Lechamps.
Mangels veegt een onzichtbaar stofje van zijn mouw. Dan schudt hij zijn uniformjas met een spastisch gebaar op zijn plaats.
“Ja?” In de manchetten van zijn hemd zitten gouden knoppen.
“De man die op een gruwelijke manier mensen foltert, tot ze hem de bergplaats van hun kostbaarheden verklappen, of de code van hun kluis.”
“En die hen daarna vermoordt,” zegt Mangels. “Ik weet precies wie je in je oog hebt, Lechamps.”
“De collega’s van Brugge hebben een verdachte opgepakt.”
“Wil dat zeggen dat al die overuren voor niets zijn geweest, en dat Brugge met de bloemen gaat lopen – alsof ze al niet vaak genoeg in het nieuws komen?”
De serie gruwelijke overvallen/moorden begon zo’n tien jaar geleden in de Vlaamse Ardennen, waar een bejaarde man verplicht werd om zijn safe te openen, en daarna neergeschoten werd. Zes maanden later sloeg de moordenaar opnieuw toe. Deze keer was zijn slachtoffer een gescheiden vrouw uit het Gentse, en de buit aanzienlijk. De beul rustte een jaar, en ging dan in Tielt aan het werk.
Torhout. Eeklo. Kaprijke… Hij kwam steeds dichter.
Zijn doelwit: alleenstaanden, die in protserige villa’s in dure wijken wonen. Zijn methode: angstaanjagend gruwelijk. Onregelmatige tussenpozen, naar gelang de omvang van de vorige buit.
De feiten intrigeerden Lechamps. Tussen zijn ander werk door, ging de brigadier zich steeds meer verdiepen in wie door de pers de moordenaar met de rasp werd gedoopt, omdat de man met dat eenvoudige keukenvoorwerp bijzonder vindingrijk aan de slag toog.
Sporen? Geen. Het leek er op dat deze sadist nog eerder van ouderdom om zou vallen, dan door de politie gepakt worden.
Lechamps verzamelde elk artikel dat hij in kranten en tijdschriften vond. Hij legde lijstjes aan, en voerde een programma in op de computer. Hij nam contact op met de desbetreffende onderzoekscel, en drong zo aan op bijzonderheden, dat door de gespecialiseerde speurders discreet naar zijn levenswandel werd geïnformeerd, omdat zijn interesse ongezonde afmetingen begon aan te nemen.
De moordenaar met de rasp ging in de gedachten van de Knokse brigadier wonen.
Omdat de dader niet het kleinste foutje maakte, en geen slachtoffers achterliet die hem konden beschrijven, bedacht Lechamps dat men hem dan maar moest lokken. Zijn laatste wapenfeit dateerde van vijf maanden geleden, en de inhoud van de brandkast die de moordenaar toen leeghaalde, was niet van dien aard dat hij lang werkeloos kon toekijken. Geografisch gezien was de Vlaamse kust logisch, en het leek de brigadier onvermijdelijk dat de keuze in dat geval op Knokke zou vallen.
Lechamps vond dat de brigade een lokeend moest uitzetten.
Het slachtoffer was telkens een levenslustige single, en de overvaller moest zijn informatie ergens halen.
Zijn collega Mariëtte, die met haar vriend op loopafstand van de golf in diens landhuis woonde, was bereid om een contactadvertentie te plaatsen, waarin ze zich als alleenstaande dame van middelbare leeftijd voordeed. Terwijl Pierre Godart twee weken voor zaken in het buitenland vertoefde, werd zijn villa elke avond met de anonieme wagen bewaakt, tot de moordenaar met de rasp op zou duiken, en de Knokse brigade de kans aanbood om eeuwige roem te verwerven.
Zo zag het plaatje er uit.
Lechamps ziet een enigma opgelost; een ongrijpbare geest, die een gezicht en een identiteit krijgt.
Graaf Burgemeester Lippens ziet het veiligheidsgevoel toenemen, en zijn badstad in de positieve spots staan.
Korpscommandant Mangels ziet huldigingen, onderscheidingen, de fanfare en – eindelijk - een decoratie die op zijn borst wordt gespeld. Nog voor iemand het hoort, marcheert de overste, de borst vooruit, op tromgeroffel.
Borré, Pisters, De Riddere en Athenus zagen aan het eind van een toeristisch seizoen, dat gewoontegetrouw zwaar was geweest, een berg zich eindeloos voortslepende overuren en ongezond veel slapeloze nachten.
Luk Borré zag ook nog eens één kans op een miljoen of vijf om de moordenaar bij de lurven te vatten. En dat vond de Knokse speurder een optimistische schatting.
“Ik zal een ondergeschikte nog eens volgen,” zucht korpscommandant Mangels, “als zijn intuïtie een idee heeft.”
“Blaas ik de bewaking voor vanavond af?”
“De dienstroosters zijn reeds ingevuld, en binnengestuurd. Laat de mannen hun uren maar kloppen.”
“Maar iedereen zit op zijn tandvlees!”
“Hoe zou dat toch komen?” vraagt Mangels gemelijk.
Toktok, en meteen stormt Leopold Lippens naar binnen.
“Blijf maar zitten,” zegt de graaf burgemeester – terwijl niemand aanstalten maakte om recht te staan.
“We hadden het net over de dienstroosters,” zegt Lechamps.
De GB gooit zijn handen boven zijn hoofd. In het borstzakje van zijn gestreept jasje zit een hemelsblauw lefdoekje.
“Mijn adellijke kop is niet gemaakt voor cijfers en details. Ik heb laatst hard moeten nadenken toen een magazine naar mijn lievelingsgetal vroeg.”
“En? Wat heeft u geantwoord?”
“43. Het is een getal dat vaak opduikt in mijn leven. Ik vond het heerlijk om 43 te zijn. Er is ook het feit dat vier plus drie zeven is, het magisch getal. Of vier min drie is één, de hoogste trap op het podium. Vier maal drie?”
“Twaalf.”
“Het aantal maanden in een jaar.”
“Zo ken ik er nog een paar,” mompelt Lechamps.
Leopold Lippens doet alsof hij de opmerking niet hoort.
“Enig nieuws over onze verkrachter?” vraagt hij abrupt.
“We zitten achter zijn hielen,” zegt Mangels.
“De moordenaar met de rasp?”
“Hebben we opgejaagd tot hij zich, ten einde raad, overgaf. Jammer genoeg: aan onze Brugse collega’s.”
“Maar dat is schitterend nieuws, Theofiel.”
Leopold Lippens plukt hondenhaar van zijn fluwelen broek.
“Kunnen we iets voor u doen, graaf burgemeester?”
“Er staan nog steeds verkiezingsborden van Marc Verwilghen in het landschap. Verbaliseer, en laat ze door de gemeentediensten ophalen.”
“Wat moeten we in hemelsnaam met die borden beginnen?” vraagt Lechamps.
“Gebruik ze op de schietstand,” bromt Lippens. “Mik op de minst vitale delen.”
“Wat bedoelt hij?” vraagt Mangels.
“Tussen de ogen!” zegt Lechamps.
De conversatie: bijzonder moeizaam, en in een nieuw samengesteld taaltje van een honderdtal woorden, met werkwoorden zonder verbuigingen, met veel mimiek en handgebaren, met stiltes en misverstanden.
De ondervraging van Katharina Brnjovovich heeft weinig opgeleverd. Het meisje herinnert zich van de hele avond vrijwel niets. Ze is zwijgzaam en wantrouwig. Ze maakt een zeer verwarde indruk.
“You like football? Yes?” vraagt Daniël Pisters aan het eind.
De schoonmaakster kijkt verbijsterd.
“Cristiano Ronaldo? Francesco Totti? David Beckham? Jean Marie Pfaff?”
Stilte.
Haar ogen zijn wat wazig, alsof ze vanbinnen heeft gehuild.
“Laat haar,” zegt Borré.
“Het is een eenvoudige vraag. Ze kan toch gewoon antwoorden?”
“Ze is Litouwse,” zegt brigadier Athenus.
“Hoe moet het nu verder?”
“¨Probeer haar traject te reconstrueren,” zegt Borré. “Volg haar parcours van café naar café. Misschien heeft iemand iets verdacht gemerkt. Vraag aan het personeel of ze zich de mannen herinneren met wie ze sprak. De kerels die haar een biertje aanboden. Die mét haar naar buiten gingen – of kort nadien.”
“Eind augustus. De obers slepen zich door de nacht. Elke week wordt een nieuwe lading anoniem vlees binnengegooid. Iedereen doet het met iedereen. En ik moet de kruimels volgen die sneeuwwitje achterliet?”
Pisters: “Roodkapje.”
“Pardon?”
“Het was Roodkapje die…”
“Nee, nee,” onderbreekt Stefaan Athenus vingerzwaaiend. “Volgens mij was het Grietje, van ‘Hans en…’”
Borré: “Informeer terloops ook eens naar Ketamine. Waar kan je het kopen? Wie schaft het aan? Wat kost het? Begrepen?”
“Heil Hitler!” zegt Stefaan Athenus, en hij grijpt kort in zijn kruis.
Pisters en Borré zitten amper in de politiewagen wanneer ze een oproep krijgen.
“Die van Brugge hebben een verdachte opgepakt in de zaak van de moordenaar met de rasp,” zegt Lechamps.
“Heeft hij bekend?”
“Nog niet.”
“Is het een bekende?”
“Nee. Het zou gaan om een butler, die op het slechte pad is geraakt.”
“Butlers, bestaan die dan nog?”
“Je zou verstomd staan! Het is een knelpuntberoep: de vraag overstijgt verschillende keren het aanbod.”
Pisters laat het stuur los, en wrijft in zijn handen.
“Slapen we vanavond eindelijk in ons eigen bed.”
“Negatief,” zegt Lechamps. “De dienstroosters waren al ingevuld, en Mangels wil die niet meer veranderen.”
“Dat meen je niet!”
Je kunt de brigadier bijna zijn schouders horen ophalen.
“Oh ja, mevrouw Mangels heeft een andere Mercedes.”
“Nearly New?”
“Geen idee.”
In de Jef Mennekenslaan versperren dranghekkens het voetpad. Bulldozers graven een duin af, om plaats te maken voor een appartementsgebouw met kelders en parkeerverdiepingen onder de grond.
Een file verstopt de weg.
“Hier woonde vroeger een dichter in een sfeervol art-deco huis. Of was het toch een schilder?”
“Mij om het even,” zegt Borré ongeïnteresseerd.
“Alles wordt geofferd,” zegt Pisters, en die wetenschap vervult hem blijkbaar niet met menslievendheid.
“Tja.”
“En niemand die zich afvraagt waar de centen vandaan komen. Niemand. Als je geld hebt, ben je een held. Als je veel geld hebt, ben je superman.”
“Dat is… dat is… dat is een natuurwet! De wet van de sterkste, maar dan gemoderniseerd. We slaan niet meer op elkanders kop met een knuppel, of met een goedendag, maar met onze portefeuille. Zo is het. Zo was het. En zo zal het zijn.”
Nog steeds komt er geen beweging in de rij wachtenden. Een fietser op leeftijd gaat de colonne langs de rechterkant voorbij.
“Ik doe die surveillance straks wel alleen,” zucht Borré. “Niemand zal het ooit weten: de moordenaar met de rasp is opgepakt, en als Mangels controle doet, staat de wagen precies waar hij het verwacht.”
“Weet je het zeker?”
“Je bent in een nostalgische bui.”
“En dan?”
“Ik wil geen hele nacht met jou in dezelfde ruimte doorbrengen.”
Pisters wrijft over zijn slapen. De inspecteur heeft een vale teint.
“Ik weet niet…”
“Jij gaat naar huis. Diner chez soi.”
Zijn collega spreekt Borré niet meer tegen.
Een arbeider met piercings in het gelaat, en een fluovestje om de romp, maakt met een rode vaandel een gebaar alsof hij een formule 1-wedstrijd op gang trekt. De anonieme politiewagen zet zich behoedzaam weer in beweging.
Luk Borré draait de kraan met overdenkingen open.
“Er is iets met die verkrachtingen dat mij niet lekker zit, Daniël.”
“Ik háát verkrachters. Het zijn egoïstische lafaards.”
“Ze gaan vaak impulsief tewerk,” zegt Borré. “Ze raken opgewonden, en slaan toe. In dit geval volgt de dader zijn slachtoffer naar huis, hij verdooft haar, en gebruikt bij de verkrachting zorgvuldig een condoom. Geen sigarettenpeuk of glas om te onderzoeken op DNA. Geen vingerafdrukken. Geen vezels. Geen getuigen. Voorlopig geen spoortje van een spoor. Alles gebeurt methodisch en weloverwogen. Jij hebt met elk van de slachtoffers gesproken: zat er echt geen variatie in hun verhaal?”
“Neuh.”
“Waren het dezelfde types?”
“Wat bedoel je?”
“Er is altijd iets wat de slachtoffers gemeen hebben, zelfs al is het niet meer dan de kleur van hun ogen of hun stem, en die overeenkomst trekt de dader aan. Die vrouwen… Je hebt mannen die vallen op grote borsten. Of op blond.”
Irma, de echtgenote van Daniël Pisters, heeft halflang eksterzwart haar.
“Ik heb nooit begrepen wat mannen aan blond zo aantrekkelijk vinden.”
“Blijf nu even bij de les,” zucht Borré. “De dader jaagt straffeloos door de straten. We moeten het raadsel van zijn psyche ontwarren.”
“Katharina heeft lang kastanjebruin haar. Dat heb je zelf kunnen zien.”
“De Litouwse is eerder corpulent.”
“Els Meert heeft kort haar. Ze draagt contactlenzen. Ze is ongeveer een meter zestig, en nogal onopvallend.”
“Ik begrijp wat je bedoelt.”
“Viviane…”
Borré slaat zijn notitieboekje open.
“Carlier. Viviane Carlier.”
“Haar echtgenoot is advocaat.”
“Dreigde er onmiddellijk mee ons een proces aan te doen, waarschijnlijk.”
“Hij was die avond zelf bij een vriendin. Viviane gaf toe dat ze regelmatig alleen op stap ging, om nieuwe mensen te leren kennen, en haar horizonten te verruimen.”
“Noemde ze dat zo?”
“Yep. Blonde krullen, rode bril, siliconenborsten, strandpoepster. Stijl: j’ai pas de culotte.”
“Sylvia Raemdonck?”
“Een Heistse studente van dertien in een dozijn. Lang, mager, puistig en behoorlijk onder de indruk. Haar heb ik met aandrang doorverwezen naar slachtofferhulp.”
“Vier verscheidene types.”
“Je kan ze zo verschillend amper bedenken.”
“Hun kledij,” zegt Borré. “Zat daar tenminste een lijn in?”
Pisters spit in zijn geheugen. Rechts komt een snorfiets zwierig de politiewagen voorbijgestoken.
“Jurk. Kniebroek. Minirok. Jeans. In de volgorde dat we de slachtoffers net vernoemd hebben.”
“Vreemd.”
“Hij pakt wat hij kan krijgen. Hij pakt wat hij kan krijgen, op het moment dat de gelegenheid zich aanbiedt, en zijn broek strak zit. Laat ons hopen dat het een vakantiegast is, dan stopt het vanzelf.”
“Een toerist zet na het verlof elders zijn reeks voort. En het zal jouw partner maar zijn. Of je dochter.”
“Ga jij nog eens met alle slachtoffers praten,” zegt Daniël Pisters. “Het lijkt wel of jij speciale ogen hebt, die dingen zien welke wij niet zien.”
“Het zijn niet de ogen,” zegt Borré. “Het is de manier waarop je ze gebruikt.”
De speurder is een jager. Een jager op kennis.
|