mm_spacer.gif
mm_spacer.gif
     
mm_spacer.gif
mm_spacer.gif

Home Page Image

Eerdere publicaties

Tattoo

De dode die met z'n tweeën was

De overvallers die met z'n drieën waren

Het trio dat iets te vieren had

Het viervijfdeprincipe

La Réserve en de vloek van het zesde gebod

Ondertussen in Lippensville

Crisis in Lippensville

Een paar gevallen van moord

Laatste halte: Lippensville

Witse - Een been om aan te kluiven




Het viervijfdeprincipe

Een onderzoek van Luk Borré, de niet altijd even sympathieke Knokse speurder

Proloog

De late zomer is gestorven, stukje bij beetje. Knokke houdt zijn adem in, en wacht af wat er gaat gebeuren.

Hij legt zijn hand beschermend op de schouders van het oude besje, en kijkt van links naar rechts voor hij haar over het brede Maurice Lippensplein helpt. Ze loopt moeizaam, met een kwakkel in haar stap. Hij gedraagt zich als een bezorgde zoon en presenteert zijn arm. Zij haakt er zonder meer de hare in. De bejaarde dame haalt adem alsof er te weinig zuurstof op deze wereld is.
“Als een man me nog aanraakt, is het mijn dokter.”
Ze zegt het met een lachje, maar ook met een zucht. Over haar Nederlands ligt een vreemd accent, als een lichte saus.
Op dit uur van de dag is er amper verkeer. Niemand besteedt aandacht aan de 38-jarige man en de bijna veertig jaar oudere vrouw die langzaam in de richting van de tramhalte voortbewegen.
“Heb je geen wagen?” vraagt hij.
Ze knikt.
“Een Chevrolet, maar ik heb geen rijbewijs. Sinds de dood van mijn man is die auto dan ook niet meer uit de garage gekomen.”
“Zonde.”
Vraag aan oude mensen naar het uur, en ze beginnen meteen hun leven te vertellen. Als ze zich tot de hoogtepunten beperken is het zelden de goednieuwsshow.
“Mijn eerste kind is doodgeboren,” zegt ze. “En onze oudste dochter verongelukte op weg naar school, één week voor haar achttiende verjaardag. Een chauffeur reed haar van de baan. Geen remsporen, geen uitwijkmanoeuvre. Niets. Waarschijnlijk was die kerel dronken. Indien hij gestopt was, maakte ze misschien nog een kans.”
“Shit.”
“We hebben nooit geweten wie hij was. Precies tien jaar nadien kreeg onze zoon een arbeidsongeval. Dag op dag, alsof de duivel ermee gemoeid was. Elektrocutie. Op slag dood.”
“Nee, toch?”
“We hadden geen kinderen meer over.”
Ze blijft even staan, en kijkt naar de man, alsof ze op diens gezicht wil lezen wat hij van haar tegenslagen denkt en hem uitdaagt om erger te verzinnen. Tot een bepaalde leeftijd onderscheid je je van een ander door wat je bereikt hebt, daarna begin je tegen elkaar op te bieden met de drama’s en de miseries van je leven. Jongeren vinden dat gezeur en gezemel van oude mensen, maar voor ze het weten zijn ze op hun beurt bejaard, en doen precies hetzelfde.
Nu sjokken ze verder. Hij rechtop, en zij met een voorover gebogen gestalte als een vraagteken. Ze torst een aura van nauwelijks opgedroogd verdriet. Wanneer ze aan de andere kant van de kruising komen, legt ze haar elleboog in zijn handpalm en hijst zich met zijn steun op de stoep.
Ze beweegt alsof ze bij elke stap een bot kan breken.
Op de lucht drijft de geur van vers gebakken brood. Je hoort het geluid van een naderende kusttram.
“Ben je gelovig?” vraagt hij.
“Nee.” Ze schudt gedecideerd haar hoofd. “Niet meer. Niet als je hebt meegemaakt, wat mij is overkomen.”
De kerel kijkt rond, alsof hij iemand zoekt om de zorg voor deze bejaarde vrouw aan over te dragen. Maar op dit uur, en gedurende deze toeristisch rustige periode van het jaar is het paar alleen.
“Jammer,” zegt hij. “Jammer dat je niet gelovig bent. Anders stond je op het punt je man en je kinderen terug te zien.”
Hij plaatst zijn voet tussen haar enkels, en geeft haar met zijn hand een duwtje. De vrouw struikelt voorover op de rails. Oud worden is een ramp. Je reflexen verminderen, en je gebeente wordt broos. Haar handen komen hopeloos te laat om haar val te breken, en haar pols knakt als droog hout.
De kusttram rinkelt zijn bel en komt schonkig uit de bocht geschoten.
Er komt geen geluid uit haar mond, maar ze staart naar het gevaarte alsof ze het met telekinetische gaven tot stilstand wil brengen. Haar ogen gaan ver open staan, en rode adertjes die naar de irissen lopen, zwellen op.
Het lukt niét.
De man zet een pas achteruit, in de schaduw van een paar bomen die hem onzichtbaar maken. Onder zijn hemd van River Woods hangt aan een zilveren ketting een eenvoudig kruisbeeld, dat brandt op zijn borst.
Een paar maanden eerder woonde hij in een ander leven.

Dezelfde man, die nu op een bankje langs het Zegemeerpad zit, heeft een tatoeage op zijn onderarm laten prikken.
Liever opbranden, dan uitdoven.
“Een mens kan naar Aktjubinsk gaan,” zegt hij, en zijn stem krijgt een dromerig kantje. “Naar Sosnogorsk, Kahramanmaras of Monteroni di Lecce. Salamanca of Penzance. Het lijkt alsof je overal naartoe kan. Er hebben zelfs mensen op de maan gestaan.”
“Dat waren natuurlijk Amerikanen,” zegt de man naast hem. Er klinkt iets van fierheid in een stem die nog weinig volume heeft. Hij is vijfentachtig. Een jaar geleden stierf zijn vrouw, totaal onverwachts. Dat verlies is hij nooit helemaal te boven gekomen. Vroeger heeft hij geleefd alsof de bomen tot in de hemel groeiden, en hij betaalde de opofferingen die zijn echtgenote zich voor hem troostte, terug met vele slippertjes. Maar de dag van haar overlijden is zijn vitaliteit verloren gegaan. Hij heeft alleen nog maar een verleden.
De man zwelgt niet in verdriet; hij verdrinkt in het niets.
Zijn stropdas ligt verzonken in het vet van zijn hals. Hij kan overduidelijk niet goed voor zichzelf zorgen.
Een treurig hoopje mens, met een grijs verdriet.
Hun blikken dwalen over het meer naar het Hotel La Réserve, dat sinds haar opening kort na de tweede wereldoorlog mede dankzij haar waterkuurbad een grote faam verwierf en door zowat alle groten der aarde de afgelopen decennia werd bezocht. Maar wanneer het niet meer rendeert, moet je ingrijpen, en nu de nieuwe eigenaar Compagnie Het Zoute is, de vastgoedmaatschappij van de familie Lippens, werd er een Bijzonder Plan van Aanleg aangevraagd om alles tegen de vlakte te gooien, en op dezelfde plaats een gloednieuw vijfsterrenhotel te bouwen, met ruim honderd kamers, een tiental suites en mooie appartementen. Kostprijs: ruw geschat een paar miljard oude Belgische franken. Van sentiment alleen kan en mag je niet leven.
Aan de Belgische kust hebben het yuppie-geld en de grote investeerders zich meester gemaakt van de vastgoedmarkt, en zolang die er baat bij hebben dat de prijzen stijgen, is het einde van de boom nog niet in zicht.
De jongste van de twee mannen kijkt rond, en merkt geen andere mensen dan twee verliefde tieners die het lichaam van hun partner nog moeten ontdekken. Ze zijn op zoek naar een rustig plekje om aan dat anatomische avontuur te beginnen, en verdwijnen in de richting van het park.
Op de revers van de jas van de weduwnaar steekt een pin met de stars and stripes. Aan zijn benige vingers bengelt een trouwring.
“Als je geld hebt, maak je een citytrip naar New York,” zegt zijn buur mijmerend. “Je reserveert een hotel op Java. Je viert karnaval in Rio. Of je boekt een luxekajuit op een schip dat een cruise maakt rond Papoea Nieuw Guinea.”
De bejaarde zeilt enkel nog op herinneringen.
“Ik ga nergens meer heen,” zegt hij.
De 38-jarige man staat op, en trekt de mouw van zijn hemd over de laatste letters van zijn tatoeage. Als mensen zien dat je geprikt bent, stellen ze zich meteen vragen. Vooral bejaarden hangen van vooroordelen aaneen.
De weduwnaar herhaalt zichzelf. Op hun oude dag worden mensen nukkig, alsof ze diep teleurgesteld zijn in een onrechtvaardige wereld.
“Ik ga nergens meer heen.”
“Fout, vadertje,” zegt zijn gezel. “Jij gaat op een lange, laatste reis.”
Hij grijpt de oude man bij de pols, trekt hem van de bank en gooit hem in één beweging in het water van het Zegemeer.
Eenden slaan verschrikt met hun vleugels. Meeuwen duiken krijsend uit de lucht naar beneden.
De bejaarde man slaagt er amper in om zich te oriënteren. Misschien begrijpt hij wat er gebeurt, misschien ook niet. Hij ziet de hoogtepunten van zijn leven niet, maar een donkere kolk van water waarin hij steeds dieper wegzinkt, met boven zich het licht, dat alsmaar zwakker wordt, en moeilijker te bereiken. Dan geeft hij zijn inspanningen op. Hij sluit zijn ogen, en opent zijn mond. De dood vloeit naar binnen.
De kerel kamt zijn haar met zijn vingers. Aan de slapen zit een randje grijs. Het is niet veel, maar het rukt onstuitbaar op.
Hij kijkt nog één keer naar het meer. De kringen in het water deinen steeds verder uit. De golfjes worden rustiger. De eenden zijn opnieuw aan het dobberen, en de meeuwen hebben een vuilniszak ontdekt.
Hij draait zich om, en wandelt weg alsof er niets gebeurd is. Maar hij maakt wél een kruisteken.

“Kan ik helpen?”
“Oh, wat aardig.”
Nu duwt hij een rolstoel, waarin een vrouw zit van onbestemde leeftijd. Haar handen, haar voeten en haar gezicht zijn opgezwollen van de cortisone. Haar buik is vet en kwabbig, en ligt in lagen op haar schoot.
“Ik ben een Tweeling,” zegt ze. “En ik denk dat jij een Boogschutter bent. Dat zijn immers vaak verstandige, leuke en behulpzame mensen.”
Hij kijkt naar de zware vrachtwagens die over deze baan naar de haven van Zeebrugge denderen, en het duurt even voor hij beseft dat ze het over sterrenbeelden heeft.
Als hij haar gok beaamt, kirt ze van genot. Er ligt een flirterige ondertoon in haar stem, die vloekt met haar conditie.
“Boogschutters en tweelingen passen goed samen. Indien we elkaar vroeger hadden leren kennen, had er misschien iets ingezeten.”
“Wie weet,” zegt de man. Maar je hoort aan zijn timbre dat hij daaraan meer dan gewone twijfels heeft. Een geel plastic Livestrong-armbandje klemt rond zijn pols.
Aan het rechterhandvat van de rolstoel hangt een Amerikaans vlaggetje. Telkens een vrachtwagen rakelings langs scheert, wappert het ding in de wind.
“Ik was best knap,” gaat ze verder. “In mijn tijd. En ik was een felle. De mannen waren gek op mij, en – eerlijk gezegd – ik was zeker ook niet vies van hén. Ik heb een prima leven gehad.”
“Maar nu ben je wél alleen.”
Ze haalt haar schouders op.
“Eenzaam oud worden, is de prijs die je nu eenmaal vaak voor een avontuurlijk liefdesleven betaalt.”
De man duwt met één hand, en houdt de andere boven zijn ogen terwijl hij naar het razende verkeer tuurt als Winnetoe naar de aanstormende cavalerie. Hij trekt zijn lippen in een vreemde, afkeurende frons.
“Vandaag de dag is het niet meer zo simpel,” zegt hij. “Vrouwen zijn verdomd kieskeurig geworden.”
“Mij maak je niets wijs. Ik wed dat een knappe jongen als jij tien liefjes heeft aan elke vinger.”
“Als je geen geld hebt, kom je niet van de grond. Zo simpel is het. Vrouwen vallen voor de klootzakken die met cabrio’s rijden, en dure juwelen kunnen betalen. Het zijn allemaal hoeren.”
Een deken in pied-de-poule ligt over haar voeten gevouwen. Ze legt haar rode hand op zijn pols, en begint hongerig te kneden. De huid van haar gezicht is gevlekt en pafferig. Haar lichaam is eerder een ruïne dan ongeschonden. Ze kan amper de vettige spotternij uit haar stem weren.
“Heb je problemen met de vrouwen, schat?”
“Het zijn je zaken niet,” zegt de man nukkig.
Maar hij begrijpt niet, dat dit najaar de vrouwen rondlopen met gescheurde jeans die om hun achterwerken gegoten lijken, en in knellende, té korte shirts van De puta Madre, met opschriften als SEX OY DROGA, onder de cijfers 69, terwijl je ze niet eens mag nafluiten, laat staan aanraken. Veel van die vrouwen verkleden zich dagelijks meerdere keren, alsof ze hun eigen poppetjes zijn geworden. De liefde lijkt in Knokke een speelplaats, waar jongens hun speelgoedje moeten afgeven aan de leerlingen van de hoogste klas, die een exclusieve wagen hebben, en zwaaien met hun gouden bankkaart. Als hij nog eens met een vrouw praat, voelt hij zich als in een bank, waar hij de directeur eerst van zijn solvabiliteit moet overtuigen voor hij een lening vast krijgt.
De dame in de rolstoel trekt de rug van zijn hand zachtjes tegen haar rode gezicht. Haar blik staat sluw.
“Misschien weet ik een oplossing voor je problemen.”
“Dat zou me verwonderen.”
Hij staart in het rond, en trekt daarbij zijn ogen tot spleetjes.
“Luister,” zegt ze. “En zeg niet onmiddellijk nee, eer je gehoord hebt wat ik precies te bieden heb.”
“Het klinkt als een koopje, dat ik niet kan weigeren.”
“Ik heb niet meer het lijf dat ik tien, twintig jaar geleden had,” zegt ze. “Maar een rijpere vrouw als ik kent trucjes, die je elke hindernis doen vergeten.”
“Je bedoelt toch niet…”
Ze klampt zich aan zijn hand vast, en zuigt een vinger in haar mond, waaraan ze begint te sabbelen als een lolly.
Overal op zijn lijf springen haartjes overeind. Als ze zijn vinger laat glippen, houdt hij hem recht alsof hij gebroken en gespalkt is.
“We kunnen vrijen met het licht uit,” zegt ze, snel en hijgend van opwinding. “Ik heb video, en mijn laatste vrijer liet een stapel pornocassettes achter, die je zeker in de stemming brengen. Als je ze beu bent, kopen we andere. Sluis ligt vlakbij, en ik heb een aansluiting op internet: je kan dáár aan het voorspel werken, mocht je op mijn initiatieven afknappen. Ik ben begripvol, ik heb al-tijd zin, en op alle mogelijke manieren.”
“Ik weet niet of…” “
“Iedereen schreeuwt dat vandaag de dag allés bespreekbaar is, maar je zal in deze maatschappij maar een minder aantrekkelijke vrouw van rijpere leeftijd zijn, met een gezond libido…”
“Maar…”
“Je hoeft het niet zomaar te doen,” onderbreekt ze hem haastig. “Ik heb recent een financieel gelukje gehad. Een meevaller. Ik ben een ietsje ouder dan jij…”
“Oud genoeg om mijn moeder te zijn.”
“Ik wil spelen dat ik haar ben,” zegt de vrouw. “Als het dat is, wat je opwindt.”
“Djezus.”
“Ik heb geld, en ik ben bereid om het aan jou na te laten. Tenminste: als jij me geeft, wat ik nodig heb. Na mijn dood kan je, dankzij die erfenis, zoveel vrouwen krijgen, dat je met carbonpapier moet werken om ze allemaal geneukt te krijgen.” Ze lacht als een heks. “Het is een win-win situatie.”
Hij stuurt de rolstoel naar de rand van de weg. Een auto met caravan rijdt te dicht bij het voetpad, en een onderstroom van wind trekt aan hun kleren. Het vlaggetje wappert opgewonden.
“In de jaren ’60 droeg ik rokjes tot hier.” Ze zaagt met haar handen in haar schoot. “De mannen gingen meteen op hun rem om mij de straat te laten oversteken.”
De 38-jarige kerel met de tatoeage op de arm heeft de mooiste jaren van zijn leven in gevangenissen doorgebracht. Hij verdringt donkere, afgesloten herinneringen aan zwijgzame, keiharde Oost-Europeanen die daar het laatste decennium de wet dicteerden, en van hem een volbloed racist hebben gemaakt.
Hij kiest voor een vrachtwagen met Roemeense nummerplaat: een Scania van 380 pk, die een zelfdragende koeloplegger met maximum binnenhoogte trekt, welke barstensvol Spaanse sinaasappelen steekt. Het is amper een klein duwtje, het is… loslaten, en kijken hoe de rolstoel in beweging komt.
A-aa-aar-aarz-aarzelend eerst, tot de kleine voorwielen van het voetpad stuiken. Even lijkt het of het ding naar links gaat kantelen en de vrouw niet op de weg, maar nog net op het voetpad terecht zal komen. Door de anatomische zit die haar gehandicapte lichaam gevangen houdt, blijft het gewicht van het geheel echter op dezelfde plaats, en stuitert de stoel weer op zijn vier wielen. Rode, gezwollen handen grijpen naar de rem, maar de achterste assen hangen reeds in het ijle tussen de boordsteen en de brede tweebaansweg. Het is te laat. Niemand zou er nu nog in slagen het gevaarte tijdig tot stilstand te brengen.
De Roemeen gaat letterlijk bovenop zijn rem stáán. In de cabine hangt een foto van zijn twee kinderen.
De vrouw gilt afgrijselijk.
De 38-jarige man houdt zijn armen beschermend voor zijn gezicht. Niet omdat hij het voorval niet wil zien, maar omdat hij bang is geraakt te worden door rondvliegende brokstukken, ledematen, of bloed.
De rolstoel mét inhoud wordt door de hoge bumper van de vrachtwagen geraakt, omvergeworpen en meegenomen. Hij knalt tegen de radiator, en wordt tussen de koeling en de betonnen weg in een vuurwerk van gensters tientallen meters voortgesleurd. Daarna raakt het geheel onder het linkervoorwiel en onder de vooras, en begint het – stilaan onherkenbaar – aan een laatste reis ónder de vrachtwagen en oplegger. De hindernis die elke as moet nemen, wordt steeds kleiner, en als de Roemeen er eindelijk in slaagt de Scania haaks op de weg tot stilstand te laten komen, ligt achter de trailer een vreemd verwrongen ding, deels machine, deels mens.
Er loopt een bloedspoor over de baan. Eén van de kleine voorwielen die van de rolstoel is losgeraakt, buitelt weg, stuitert over een steentje, kantelt en draait nog even om zijn eigen as. Ingewanden glibberen rond een leren armsteun als een nest slangenjongen. En iets in gebroken wit ligt naast de inhoud van een asbak in het gootje langs de weg. Het kan beendermerg zijn, maar ook hersenen. Of iets dat door een chauffeur uit het raampje van zijn wagen werd gegooid.
‘Ze heeft dat rokje niet meer nodig,’ denkt de kerel. ‘Nu heeft ze vleugels om de weg over te steken.’
Er zitten wat spatjes bloed op de omslag van zijn broek.
De Roemeense trucker slaat zijn armen om zijn stuur, en begraaft zijn gezicht. Hij rilt over zijn hele lichaam. Als straks zijn tachograaf wordt geopend, zal blijken dat hij er een ononderbroken shift van twaalf uur heeft opzitten, op een dieet van zwarte koffie, pillen en River Cola. Zijn snelheidsbegrenzer is losgekoppeld.
Twee meter verder staat een bord dat het begin van het grondgebied Zeebrugge aanduidt, en het einde van Knokke-Heist.


 

< Recensies >

< Fragment >

< Bestel nu >