"Echte rijken in Knokke rijden met een oude Mercedes"

Jos Pierreux (48) is een oprukkend talent in de Vlaamse literaire misdaadwereld. Vanuit het rurale Pepingen in het Pajottenland beschrijft hij het mondaine Knokke, waar zijn fictieve inspecteur Luk Borré koste wat het kost een flitsend leven tracht te leiden.

Twee thrillers schreef Pierreux tot nu toe: De dode die met z'n tweeën was en De overvallers die met z'n drieën waren. Een mix van geweld, tederheid, ironie, maatschappijkritiek. Politieromans vol uitersten van een man die in een lang gesprek wel tien keer zegt dat hij na dertig jaar zwoegen eindelijk schrijver is geworden.

En in een opdracht vraagt of ik zijn boeken - al was het maar vijf minuten - even naast die van James Ellroy wil zetten in mijn bibliotheek.


'Neen, ik ben helemaal niet communicatief. Je zou dat niet meteen zeggen als we hier zitten te praten, toch is het zo. Misschien ben ik wel daarom gaan schrijven. Al dertig jaar ben ik bezig en eindelijk heb ik een beetje succes. Eén roman werd eerder gepubliceerd, vijftien jaar geleden. Ook een aantal korte verhalen.

Nu is mijn jeugddroom gerealiseerd: echt in de etalage van de boekenwinkel liggen. Er is een zaak waar ik vaak langs kom en twintig jaar geleden heb ik mezelf beloofd dat ik daar ooit zou liggen.Het is gelukt. Je bent pas echt een schrijver als je uitgegeven bent. Niet in eigen beheer, dat is wat anders. Je wilt de waardering van een uitgever, zien dat iemand de moeite doet om voor jou te betalen. Het zal wel wat kinderachtig lijken zeker, die drang naar erkenning.

Van in mijn jeugd ben ik tegendraads geweest. Mijn moeder vroeg me vaak waarom ik niet deed zoals de anderen. Toen ik haar voorstelde ook te scheiden, zoals de meerderheid van de mensen, ja, toen had ze mij door. Maar communicatie is mijn zwak punt. Mensen die ik ken heb ik via mijn boeken al seintjes gegeven, iets laten weten dat ik ze niet persoonlijk kon zeggen. Mij geëxcuseerd bijvoorbeeld. Of ze het begrepen hebben, weet ik niet.

Het manuscript van mijn eerste misdaadroman stuurde ik naar drie uitgevers, onder de naam van mijn dochter. Ik wou niet dat ze merkten dat ik daar weer was met een manuscript. Bij Houtekiet hebben ze geantwoord, maar het was mijn dochter die de telefoon opnam. Veerle Weverbergh van de uitgeverij geloofde niet dat een meisje van twintig de thriller had geschreven. Toen mijn dochter me vertelde dat een uitgeverij belangstelling had, dacht ik dat ze met mij spotte en was ik zelfs boos op haar. Enfin, het contract was vlug ondertekend, hoewel ik als handelaar toch vond dat ik wat moest onderhandelen."

En toen hebt u meteen die Maserati gekocht?

"(lacht) Die had ik al, verdiend met hier hard te werken. Je moet niet echt rijk zijn om zo'n wagen te kopen. Natuurlijk is hij duur, maar het was een droom van mij. Ik was verliefd op de muziek die de motor maakt. Die koop is trouwens een mooi verhaal. Ik reed met de vrachtwagen van mijn bouwbedrijf naar de zaak waar ik de wagen had zien staan. Ze lieten mij niet binnen. Een andere verdeler, iemand die zelf nog sleutelt aan auto's, heeft me hem dan verkocht. Via de telefoon. Ik wist wat ik wou, dus moest ik er geen proefrit mee maken.

Met mijn auto draag ik bij tot de schoonheid van mijn omgeving, vind ik. Neen, er snel mee rijden doe ik niet. Natuurlijk weet ik wat er verteld wordt over eigenaars van een Maserati. Dat ze een klein pietje hebben, hé. Wel, het zal wel waar zijn. Ik weet waarover ik spreek. Maar van dat steenrijk zijn, dat klopt niet. Echte rijken in Knokke, die rijden met een oude Mercedes of een bejaarde Porsche."

Daar hebben we het: Knokke. De setting van uw thrillers is wel een stad van extremen.

"Ach, je kunt van Knokke zeggen wat je wilt. Ik vind het een stad die maar één soort discriminatie kent. Dat is weinig in onze maatschappij. Je vindt daar door mekaar homo's, lesbiennes, zwart, blank, noem maar op. Alleen: je moet rijk zijn om erbij te horen. Als er dan toch gediscrimineerd moet worden, laat het dan om het geld zijn. Zeker als iemand min of meer met dezelfde kansen aan de start kan vertrekken.

Zelf werk ik 51 van de 52 weken, zes dagen op zeven. Ik doe dat voor het geld en omdat ik graag werk. Met dat geld kies ik voor die artificiële wereld, 24 uur per week. Het is een valse wereld, maar ik hou ervan. Van alle discriminatie is die van het geld voor mij nog de minst erge. Maar geld kan wel vreemde dingen doen met mensen. Ik was verontwaardigd toen na 11 september sommigen bezorgder waren over het zakken van hun aandelen dan over de slachtoffers. En is het niet schandalig dat je als aandeelhouder rijker kunt worden als een bedrijf tweehonderd mensen werkloos maakt? Dan liever vastgoed, dan zorg je tenminste nog voor werk.

Justine Henin die om fiscale redenen uitwijkt naar Monaco en door onze politici nog gefeliciteerd wordt ook? Geef mij maar Luc Tuymans, de schilder. Die blijft omdat hij hier kansen heeft gekregen. Ik ben niet uiterst links en zeker niet uiterst rechts. Men tracht je tegenwoordig meteen in een bepaald hokje te plaatsen. Maar zo werkt het toch niet? Als ik al iets ben, dan zou ik zeggen dat ik ingewikkeld in elkaar steek. Een beetje gezond verstand, daarvoor pleit ik. Nu krijg je de indruk dat wetten gemaakt worden om zoveel mogelijk advocaten aan het werk te zetten. Niet meer wetten, betere rechters hebben we nodig.

Heilig ben ik zeker niet. Permanent doen we dingen die niet echt volgens het boekje zijn. Je kunt gerust zeggen dat veel Belgen gewoon trachten zo lang mogelijk net over de schreef te blijven."

En dat is nu precies wat Luk Borré, het hoofdpersonage in uw thrillers, doet?


"Hij heeft wel wat van mij. Maar hij doet verschrikkelijke dingen voor het geld. Er is in het verleden iets met hem gebeurd, als lezer voel je dat aan. Wat er precies aan de hand is heb ik nog niet verklapt, dat kan wachten. Het vreemde is dat Borré dingen doet zonder mijn medeweten. Zijn eigen leven leidt. Veel van mijn figuren bestaan echt. Waarom zou ik moeite doen om personages te verzinnen als ze zomaar op straat rondlopen.

Stefaan Athenus, de grote versierder, is iemand die ik ken. Als ik aan het schrijven ben, voel ik me soms de baas van een KMO. Ik zet personages aan het werk, laat ze leven. Men heeft me eens verweten dat ik nogal karikaturale figuren opvoer, maar het zijn geen karikaturen. Zeker de hoofdpersonages niet. Met de typetjes ligt dat anders, dan moet ik oppassen dat ik niet ga overdrijven. De vrouw met het hondje, ze bestaat. Maar ik mag ze niet te veel opvoeren. Het begon op een persoonlijke wraakneming te lijken, wat het ook wel een beetje was. Karikaturaal noem ik personages die hele series lang hetzelfde merk bier drinken. Bij mij veranderen ze.

Van het leven van mijn personages moet ik me niets aantrekken. Ze leven het voor mij omdat ze bestaan. Zie ik iemand die gewoon is een minirok te dragen plotseling in een andere outfit, dan kan ik meteen een verhaal verzinnen. Een van mijn figuren heeft terminaal kanker. Toch blijft hij gewoon doorwerken. Je kunt dat gek vinden en jij zou misschien liever een wereldreis maken. Ik denk dat ik die laatste maanden zou schrijven, schrijven. En me afvragen of ik mijn boek wel af krijg. Ja, ik ben bezeten. Maar je kunt in een boek zoveel doen. Ik zet vergissingen die ik in het werkelijke leven heb begaan recht in mijn boeken, doe dingen opnieuw en anders.

Hier in het dorp vinden ze schrijven geen kunst. Iedereen kan schrijven zeggen ze. Ik lijd daar wat onder. Ik zie er niet uit zoals mensen denken dat een artiest eruit moet zien. Met een baard, en nu en dan eens zat. En dat je dan elke dag opstaat om vijf uur om te schrijven, ja, daar moet je knotsgek voor zijn. Over dat schrijven van mij wordt nauwelijks gepraat, over mijn relatieve succes geen woord. Ja, iemand in de bibliotheek die me zegt dat ze mijn boeken niet slecht vindt. Daar krijg ik iets van, dat ze dan meteen zeggen 'rotslecht'. Dan kun je een gesprek beginnen. Niet met zoiets lauws als 'niet slecht'."

U hebt dertig jaar geschreven, was dat slechter dan hetgeen nu is gepubliceerd?

"Dat vraag ik me ook vaak af. Ik weet het niet. Ik heb me wel altijd laten betalen voor hetgeen gepubliceerd werd, uit eergevoel en omdat ik dan toch de indruk kreeg dat het gewaardeerd werd. Ook al was het maar met een gratis abonnement. Wat ik schreef had ook altijd wel iets te maken met misdaad. Kijk, ik heb discipline nodig in mijn leven. Als ik tien percent minder zou werken dan zou ik geen tien percent minder verdienen, dan ging ik gewoon failliet. En mocht ik dertig jaar geleden niet begonnen zijn met schrijven, dan zat ik misschien aan de drugs.

Een misdaadroman eist meer dan een andere roman discipline. Het genre dwingt je als schrijver dicht bij je boek te blijven. Je zit in een bepaald stramien, je hebt een bepaald schema dat je moet volgen. Aan dat schema hang je op wat je wilt vertellen. Het is het vlees aan het skelet. Mocht ik een 'gewone' roman schrijven, dan zou ik misschien wel verloren lopen. Je vraagt je natuurlijk wel af waarom je schrijft. Ik wil de lezers zeker verstrooien, ze doen nadenken, ze ook gelukkig maken. Iemand die dat kan, alleen maar met de woorden 'WopBopaLoopBopLopBamBoom' in een rock-'n-roll liedje, dat is toch uniek.

"Ik was zo'n jongen die naar de bibliotheek trok en maar aan het verslinden ging. De boeken van Karl May vond ik fantastisch. Toen bekend werd dat mijn idool nooit een indiaan gezien had, nooit in Amerika was geweest, had hij plotseling minder succes. Voor mij werd hij toen pas een echte afgod. Iemand die maakt dat je droom veel groter is dan de werkelijkheid, is heel sterk.

Als ik schrijf is dat zeker als zelfbevestiging en ook om mezelf te beschermen. Ik kan dingen verzinnen waaraan ik anders niet zou durven te denken, gevoelens vertolken die ik anders niet kwijt kan. Ik heb het daar in het leven moeilijk mee. Hoe moest ik reageren toen mijn dochter toen ze een jaar of zestien was kwam vragen of haar vriendje mocht blijven slapen. Ik wist het niet en dacht alleen maar 'val me daar toch niet mee lastig'. Natuurlijk kon hij blijven slapen. Wij hadden in onze tijd wel de achterbank van de auto. Mijn eigen opvoeding was helemaal anders, niet zo open als nu. Kinderen moest je zien, niet horen. Dat wil ik allemaal in mijn misdaadromans stoppen.

De liefde tussen man en vrouw, tussen homo's en lesbiennes, het feit dat onze vaders lachen omdat we vinden dat man en vrouw gelijk zijn. En wij zelf missen de leidraad, moeten veel aanvaarden dat we anders hebben geleerd. Ik heb daar niet veel last mee, maar ik besef dat het voor velen troebele tijden zijn. Daarover wil ik in mijn thrillers schrijven, liefst met eenvoudige verhaallijnen en wat tegenspartelend. Ik heb aan mijn uitgever voorgesteld uit de recensies eens de negatieve zinnetjes te halen en die op de omslag te zetten. Hij heeft nog niet gereageerd."

Door Fred Braeckman,

De Morgen